Welkom bij
Kinderfysiotherapiepraktijk
Corlaer

0-2 jaar

Voorkeurshouding

Een baby met een voorkeurshouding draait het grootste gedeelte van de tijd met zijn hoofdje naar één kant. Het ontwikkelen van een voorkeurshouding komt veel voor. Als een baby te lang in de voorkeurshouding ligt ontstaat er een plat hoofdje of scheef hoofdje, omdat het schedeltje nog zacht is. Ongeveer acht van de tien kinderen ontwikkelen een voorkeurshouding, meestal naar rechts. Het komt iets vaker voor bij jongetjes dan bij meisjes. Een voorkeurshouding kan gevolgen hebben voor de motorische ontwikkeling. Een baby met een voorkeur houdt zijn hoofd niet goed in het midden, kan niet goed recht liggen en beweegt zijn armen en benen soms niet evenveel. Graag verwijzen wij u ook naar de site Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, voor een preventie- en behandelfolder voor baby’s met voorkeurshouding. Soms is een voorkeurshouding moeilijk te corrigeren. Ondanks het opvolgen van de adviezen kan een voorkeurshouding blijven bestaan. Het advies van een kinderfysiotherapeut is dan zinvol.

Motorische ontwikkelings- achterstand

Zodra er sprake is van ontwikkelingsachterstand kan de kinderfysiotherapeut ondersteuning bieden.
Als uw kind bijvoorbeeld niet rolt van buik naar rug, niet kruipt, niet zelfstandig kan zitten of lopen kunt u denken aan motorische achterstand. Hierbij is het belangrijk dat het kind gestimuleerd wordt door bijvoorbeeld een uitdagend speeltje.

De behandeling zal gericht zijn op het stimuleren van het kind en het geven van tips en adviezen voor ouders om dit zo goed mogelijk te doen.

Sensorische informatieverwerking

Sensorische informatieverwerking is het proces waarbij we als kind leren om allerlei prikkels te onderscheiden en te plaatsen via onze zintuigen.
Al die zintuigen werken de hele dag samen om ervoor te zorgen dat we goed reageren op alles in de omgeving. Ze bestaan afzonderlijk van elkaar, maar moeten als een geheel functioneren. Gebeurt dat niet dan is er sprake van een sensorisch informatieverwerkingsprobleem.
Kinderen met sensorische informatieverwerkingsproblemen, hebben zintuigen die niet goed samenwerken. Dat heeft invloed op het gedrag, de ontwikkeling en het leren van het kind.
Sensorische informatieverwerking richt zich hoofdzakelijk op de volgende zintuigen: de tastzin, het evenwichtsgevoel, het standgevoel, visueel en auditief. Ze helpen ons om allerlei signalen uit onze omgeving te ervaren, te interpreteren en er op te reageren. Laten we ze een voor een bekijken.

De tastzin bestaat uit het waarnemen van aanraking, pijn, temperatuur en druk op onze huid. Deze signalen bepalen in grote maten hoe we onze omgeving ervaren en beschermen ons tegen gevaren, zoals bijvoorbeeld vuur. Als de tastzin verstoord is kan dit betekenen dat deze signalen te zwak of te sterk worden ervaren. Als de tastzin niet goed werkt, uit dat zich in niet aangeraakt willen worden, de weigering om bepaalde soorten voedsel te eten, en/of om bepaalde kleren niet te willen dragen. Het kan voorkomen dat het wassen van het gezicht als vervelend wordt ervaren, of dat men een hekel heeft aan vieze handen, niet met klei wil spelen, een hekel heeft aan vingerverf. Ook kan het gebeuren dat men dingen alleen met de vingertoppen aanpakt in plaats van met de hele hand. Het kan tevens tot gevolg hebben dat aanraking en pijn verkeerd worden uitgelegd, wat kan leiden tot afzondering, geïrriteerdheid, snel afgeleid zijn en hyperactiviteit.

Het evenwichtsgevoel ontstaat door het evenwichtsorgaan wat zich in het binnenoor bevindt. Het neemt de stand van het hoofd en hoofdbewegingen waar. Storingen aan het evenwichtsgevoel kunnen zich op twee manieren uiten. Kinderen met een overgevoelig evenwichtsgevoel hebben een hekel aan schommelen, schuitje varen, naar beneden glijden en dergelijke. Ze reageren daarop met angstreacties. Dit soort kinderen kan ook moeite hebben met naar boven en naar beneden gaan via een trap of heuvel. Ook houden ze niet van onregelmatige oppervlakten en kunnen ze onhandig overkomen. Anderzijds zijn er ook kinderen met een ondergevoelig evenwichtsorgaan. Dit soort kinderen zoekt juist allerlei intense bewegingservaringen op, zoals heel druk bewegen, springen en rondtollen. Ook kan het voorkomen dat ze met hun hoofd liggen te draaien of steeds nee schudden.

Het standgevoel is het gevoel waarbij we onbewust de stand van onze ledematen weten zonder die te zien. Het standgevoel geeft onze hersenen de signalen die het mogelijk maken om in een stoel te zitten en gemakkelijk ergens over heen te stappen. Het helpt ons ook om te kunnen schrijven met een pen, soep te eten met een lepel en knopen vast te maken. Dat het standgevoel niet goed werkt, uit zich in onhandigheid, een neiging om vaak te vallen, het aannemen van ongebruikelijke houdingen, het als kind niet willen kruipen en/of op een slordige manier eten. Problemen met het standgevoel hebben ook invloed op het uitvoeren van motorische taken.

Visueel: Kinderen zijn snel afgeleid door wat ze om zich heen zien en knipperen veel met de ogen bij fel licht. Ze hebben tevens problemen met oogcontact maken.

Auditief: Kinderen vertonen een heftige reactie door handen voor hun oren te houden op onverwachte, harde geluiden. Ze zijn snel afgeleid door geluiden in de omgeving (ze kunnen bijvoorbeeld niet werken met achtergrondgeluiden). Kinderen reageren niet wanneer hun naam wordt geroepen, ondanks goed gehoor.

Problemen met sensorische informatieverwerking kunnen zich op velen manieren uiten. Het kind kan hyperactief zijn of juist weinig bewegen en snel moe worden. Bij sommige kinderen zie je juist een afwisseling tussen hyperactief en inactief zijn. Storingen in de grove en fijne motoriek komen vaak voor en kunnen ook leiden tot spraak problemen en matig intellectuele prestaties. In hun gedrag kunnen kinderen impulsief zijn en snel afgeleid worden. Ook kunnen ze moeite hebben om activiteiten te plannen en organiseren. Sommige kinderen kunnen erg heftig reageren op nieuwe situaties met frustratie, agressie en teruggetrokkenheid.

Lage of hoge spierspanning

Een te lage spierspanning kan zich uiten bij uw baby in het onvermogen om de armen en/of benen tegen de zwaartekracht in te bewegen.
Het tegenovergestelde hiervan is een te hoge spierspanning. Wanneer dit mogelijk het geval is, gaat de baby bijvoorbeeld als het aan de handjes omhoog wordt getrokken, direct staan. Wanneer er voor het eerste levensjaar een duidelijk links/rechts verschil zichtbaar is tussen de armen of benen kan tevens ook met een hoge of lage spierspanning te maken hebben.
Indien bovenstaande u bekend voorkomt, kunt u de kinderfysiotherapeut inschakelen.

Huilbaby

Een huilbaby wordt zo genoemd wanneer uw kind 3 weken lang meer dan 3 uur per dag huilt. Dit kan komen door bijvoorbeeld darmkrampjes of een snelle of moeizame bevalling. In het laatste geval kan een kinderfysiotherapeut hulp bieden. De kinderfysiotherapeut onderzoekt de nek van uw baby. Het kan zijn dat deze vast zit, dit noemen wij een blokkade. Vaak is er ook een voorkeurshouding zichtbaar.

Billenschuiver

Billenschuivers zijn kinderen die zich voortbewegen op de billen. Meestal kiest het kind deze manier van verplaatsen in plaats van het kruipen op handen en knieen. Vaak is er geen duidelijke oorzaak waarom kinderen zich op deze manier verplaatsen. Voor kinderen die op hun billen voortbewegen is het belangrijk dat er veel bewegings variatie plaatsvindt. Laat uw kind bijvoorbeeld niet te lang in de maxi-cosi zitten.

Wanneer is er kinderfysiotherapeutische behandeling nodig?

  • indien een billenschuiver een achterstand in de grove motorische ontwikkeling laat zien
  • als er tekenen zijn van verminderde rompspieren (verminderde kracht van de romp en verminderde romprotaties)
  • en wanneer je als ouder meer duidelijkheid wil krijgen over de motorische ontwikkeling van je kind dat op de billen schuift

Cerebrale parese

Een cerebrale parese (CP) is een aandoening waarbij kinderen moeite hebben om te bewegen. Dit is ontstaan door hersenbeschadiging die voor het eerste levensjaar heeft plaatsgevonden. De belangrijkste symptomen van cerebrale parese zijn o.a. lage spierspanning in de eerste levensmaanden, continu gebalde vuistjes, ontwikkelingsachterstand en onwillekeurige bewegingen.

De kinderfysiotherapeut kan kinderen met CP helpen bij hun ontwikkeling door een zo goed mogelijk bewegingspatroon aan te leren zodat het kind zo min mogelijk wordt gehinderd in het bewegen.

Erbse parese

Er is sprake van een Erbse Parese als bij de geboorte een beschadiging is ontstaan van de zenuwen die vanuit de nek naar de arm lopen. Dit kan ontstaan zijn door te grote trek aan het hoofd. De officiële naam is plexus brachialis laesie. De behandeling van de kinderfysiotherapeut wordt in de meeste gevallen direct gestart met houdings- en positionering-adviezen zoals hoe u uw kind het beste kan dragen, kan aan- en uitkleden en kan neerleggen.

Prematuur / dysmatuur

Is uw kind te vroeg of te licht geboren? Dan spreken we van prematuur of dysmatuur.
Kinderen die te vroeg zijn geboren of met een te laag geboortegewicht kunnen te maken krijgen met een ontwikkelingsachterstand. Om dit te voorkomen kan de kinderfysiotherapeut ondersteuning bieden in het stimuleren van het kind in de ontwikkeling.